Het begon gisteren een week geleden met een zaaloptreden van Theo Maassen, dat me onverwacht werd thuisbezorgd door de publieke omroep (NPO1). Als leerzame terugblik op de periode, waarin ik – na acht tropenjaren – nog volop bezig was me dit land enigszins toe te eigenen en opnieuw te beginnen.
Ik had hem nooit live gezien, maar vaak genoeg op de buis om te vermoeden dat hij me zou boeien. Met humor op het scherpst van de snede en heel goed in staat open kaart te spelen met zijn publiek. Bepaalde aangelegenheden in het vaderland had ik op afstand wel gevolgd, al was het maar om mijn kinderen tegemoet te komen. Maar zoiets als de coronacrisis was te ingrijpend om de nodige finesses te kunnen meevoelen.
Wat me in de voorstelling van Maassen het meest raakte was hoe hij korte metten maakte met het predicaat ‘van kleur’, dat velen tegenwoordig in de mond bestorven ligt. En dat laatste dan in contrast met het bijvoeglijk naamwoord wit, alsof ons nog maar twee categorieën inwoners of burgers zijn overgebleven. Zogenaamde witte mensen, per definitie bevoorrecht en zelfingenomen, dus discriminant, en mensen met de een of andere andere kleur, de gediscrimineerden, die met recht verongelijkt zijn.
Het predicaat was me de afgelopen jaren niet ontgaan, maar ik wist me er – denk ik – geen raad mee. Waar was dat vandaan gekomen en waarom? Het klonk me wél in de oren als een variant van kleurling, maar dat hoorde of las je nauwelijks meer. Al stond het wel in de dikke Van Dale: niet-blanke, ouders van verschillend ras enz. Was dat soms afgedaan als te ouderwets? In ieder geval was het veel specifieker dan ‘van kleur’.
Maassen wond er gelukkig geen doekjes om: klinkklare onzin, doe ik niet aan mee, als mensen zich zo graag ‘van kleur’ willen noemen, is dat hún zaak. Maar over welke kleuren hebben we het eigenlijk? Zijn we net van de oude zuilen af, wordt ons een nieuw hokjessysteem in de maag gesplitst. Sterker nog, op grond van dat ene stempel wordt ons in een moeite door van alles en nog wat in de schoenen geschoven!
Het duurde even, tot mijn frank viel. En eerlijk gezegd schaamde ik me, dat ik dit al een tijdje over mijn kant had laten gaan. Ik hoefde het niet onmiddellijk van de daken te schreeuwen, maar kon tenminste evenals hij weigeren hieraan mee te doen.
Het vervolg kwam twee dagen later. Nauwelijks wakker, ving ik met een half oor op dat Radio Eén een hoogleraar rechtvaardigheid (of iets van dien aard) in de studio had zitten. Als zogenaamde spraakmaker. Vanwege een wetenschappelijk, kennelijk grootscheeps, onderzoek naar ‘de ervaringen van leidinggevenden van kleur’.
Ik moest direct denken aan het jaar waarin ik de knoop (weggaan of niet) doorhakte en in Paramaribo een nieuw leven begon (2014). Had me nog wel vóór mijn vertrek aangesloten bij de Correspondent – een nieuw collectief dat zowel de journalistiek als het nieuws opnieuw wilde uitvinden – en probeerde daarin een partijtje mee te blazen. Tot een nogal kritische post van mijn kant ergens in Amsterdam zoek raakte… Zou de sfeer in de club hebben willen bederven, werd me schoorvoetend meegedeeld.
Korte tijd later kwam op dat platform de berichtgeving op gang over social justice warriors, die Amerikaanse universiteiten op stelten zetten door de good old woke-traditie van ijveraars voor rassengelijkheid nieuw leven in te blazen. Daarmee zette het hier in Nederland de toon, omdat het van meet af aan de nieuwe strijders de hand boven het hoofd hield. Kick Out Zwarte Piet stond nog in de kinderschoenen, George Floyd was springlevend en de burgemeester van Amsterdam zou pas op 1 juni 2020 haar onschuld verliezen.
Het is al lange tijd een soort wetmatigheid dat wat uit ‘Amerika’ komt hier als manna wordt ontvangen, overgenomen en aan de man gebracht. Zo ook in dit geval. Zeker het discours over rassenstrijd, discriminatie, kolonialisme, slavernijverleden heeft dan ook een sterk Amerikaanse inslag en wordt getypeerd door de verwaarlozing van historische en andere culturele verschillen. De gevolgen zijn niet uitgebleven en liggen de laatste tijd helemáál voor het oprapen.
De boodschap van de spraakmaker op de radio – de onderzochte leiders van kleur waren per saldo de klos – klopte voor mij als een bus en de manier waarop de gesprekspartner met haar instemde eveneens. Het kwaad zit in de ander! Hoe geruststellend (en dus overtuigend) kun je zijn? Zo wond ook Rutger Bregman, het nest van de Correspondent ontgroeid, iedereen om zijn vinger.
Dankzij de mij van hogerhand toebedeelde tech-gigant en diens netwerk van browsers en toeleveringsbedrijven in betonnen blokkendozen, had ik slechts de naam van de professor nodig om haar profiel in te kleuren.
In 1974 geboren in Groningen en getogen in de Bollenstreek, waar de gemengde (Indisch-Nederlandse) komaf haar werd nagedragen, psychologie gestudeerd in Leiden, zich bovendien toegelegd op pedagogiek en in Rotterdam gepromoveerd ‘in de kinderpsychiatrie’, sinds 2009 hoogleraar in Leiden, met een waslijst aan publicaties, functies en onderscheidingen, kortom een academische carrière waar je u tegen zegt.
Op een van mijn vragen kreeg ik op mijn scherm – uiteraard met de kanttekening AI-reacties kunnen fouten bevatten – te lezen dat ze “inderdaad schatplichtig was aan de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en ook het Afro-Amerikaanse begrip ‘woke’ had omarmd, maar zich distantieerde van de gepolariseerde Amerikaanse invulling en koos voor een nuchtere, empirische en op verbinding gericht poldervariant.’’
Allicht ja, anders kon ze die hele carrière wel op haar buik schrijven. Maar ondertussen was me allang duidelijk dat ze ook vierkant stond achter systemic inequality, de hoeksteen van de doctrine van de Amerikaanse warriors, dus dat de samenleving bol staat van white privilege en dat witte kinderen racisme met de paplepel krijgen ingegoten. Daarom verzet ze zich fel tegen ‘kleurenblindheid’, want wie dat begrip hanteert verkondigt naar haar overtuiging dat huidskleur niet bestaat of er niet toe doet.
Ik vrees dat de professor als auteur van een handboek over ‘opvoeden zonder vooroordelen’, getiteld Opgroeien in kleur (2021), de mensheid heeft blij gemaakt met een dooie mus. Want is niet háár grootste vooroordeel dat je door middel van de opvoeding van kinderen de hele (verrotte) samenleving op de schop kunt nemen en a fortiori de rest van de wereld?
Ik kan overigens best leven met vooroordelen, maar waar ik grote moeite mee heb zijn simplistische opvattingen over racisme en discriminatie.
Verder dan een doctoraal examen heb ik het nooit geschopt, maar wél heb ik een leven lang in vele landen ontelbare soorten en vormen van racisme meegemaakt. Ook aan den lijve en van dag tot dag, jaar in jaar uit. En heel wat lessen geleerd, waarvan ik er één bij uitstek associeer met de VS:
spelen met kleur is spelen met vuur.
Geef een reactie