Parel voor de zwijnen

Hoe lang zou ontwikkelingssamenwerking zich in het dagelijks taalgebruik nog kunnen redden, als omslachtig synoniem van ontwikkelingshulp? Wie kan de twee überhaupt nog uit elkaar houden? Me dunkt dat het woord in ieder geval in Nederland zijn langste tijd wel heeft gehad. Beleidsmakers en volksvertegenwoordigers die er van meet af aan moeite mee hadden, maken er tegenwoordig helemaal een potje van. Maar ook buiten die kring heb ik sterk de indruk dat zelfs het eufemistisch nut geen opgeld meer doet.

Kan het dan maar het beste verdwijnen of worden opgeborgen in het kabinet van anachronismen of rest ons een parel voor de zwijnen, die vroeg of laat zijn glans terug zou kunnen krijgen?

De oorsprong ligt in het dekolonisatieproces halverwege de afgelopen eeuw, toen grote delen van de wereld zich alsnog losmaakten van hun Europese bezetters en die laatste hun toevlucht namen tot ‘hulp’ als instrument om een voet tussen de deur te houden. De Amerikanen namen het voortouw, de bondgenoten aan deze kant van de oceaan volgden.

In het geval van Nederland ging aanvankelijk vanzelf de meeste aandacht uit naar Indonesië, maar in de jaren zestig en zeventig – toen de wederopbouw ten einde liep en nieuwe welvaart gloorde – sprongen allengs meer jongeren over hun ouders heen om nieuwe werelden te ontdekken. Niet alleen geografisch, maar ook expliciet om zich in te zetten voor andere doelen dan de traditionele zakelijke relaties.

Zo ontstond het draagvlak voor een politieke stroming, die afstand nam van het eenrichtingsverkeer van de hulp en de daarin verankerde tweedeling tussen landen die ‘ontwikkeld’ en landen die ‘ontwikkelend’ (developing) waren naar ons (westers) voorbeeld. En werd in Den Haag en omstreken ‘ontwikkelingssamenwerking’ het buzzword, eerst als alternatieve denkrichting maar geleidelijk – naar gelang de plannen voor een Nieuwe Internationale Economische Orde op het niveau van de Verenigde Naties uit de verf kwamen – ook om concrete politiek te bedrijven inzake het streven de kloof tussen de twee groepen landen te dichten.

‘Nederland’ profileerde zich in dat opzicht graag als koploper, door zich bijvoorbeeld te laten vastpinnen op het percentage van het bruto nationaal product dat internationaal als ondergrens voor de ontwikkelingshulp van rijke (industrie)Ianden was vastgesteld. Maar uiteindelijk zijn we ook hier nooit veel verder gekomen dan een spraakmakende beweging die op allerlei manieren solidariteit betuigde met ‘de derde wereld’, maar per saldo niet ongedaan kon maken dat de eigen regering in de pas bleef lopen binnen de oude internationale orde. 

Die beweging bereikte omstreeks het einde van de Koude Oorlog haar hoogtepunt en sudderde vervolgens nog een tijdje door, toen de spanning tussen Oost en West was weggevallen en de opluchting alom geen grenzen kende. De Verenigde Naties stegen boven zichzelf uit en dansten van de ene hemelbestormende wereldconferentie naar de andere, wat in 2000 culmineerde in een reeks Millenniumdoelen met het oog op het jaar 2015. Sindsdien is het snel bergaf gegaan. What goes up must come down, wisten ze op de financiële markten van ons voorland allang. 

Het vrijheidsevangelie uit dat land is de afgelopen decennia doorgedrongen tot in alle hoeken en gaten van de wereld. Niet in de laatste plaats dankzij de vanouds superieure hidden persuaders die de kettingreactie van betrokken hightech extra vaart en slagkracht konden geven. 

Eindelijk kregen ze het voor elkaar: een waarachtig global economy met als enig in beton gegoten gebod rendement. Waar nog altijd het woord van Adam Smith en diens collega-profeten heilig is en dus de kroonjuwelen van de aarde – grond, water en lucht – in de uitverkoop zijn. Nog afgezien van al die mensen die eraan worden opgeofferd, als noodzakelijke schade op de koop toe. 

Ieder voor zich en gezamenlijk kopen we ons 24/7 uit de naad, alsof de duivel ons op de hielen zit, en staan we tegelijkertijd, met het oog op de voor al die consumptie nodige inkomsten, ook zelf te koop. Met ons hele hebben en houden, tot en met immateriële vermogens, gevoelens, gewoonten, problemen en behoeften. Geen wonder dat ook de charimarkt groeit en bloeit als nooit tevoren, in verstrengeling met andere deelmarkten. 

Ergens in het voorjaar heb ik maar eens, telefonisch, geprobeerd de Fondsenwerver & relatiemanager major donors en nalatenschappen van – naar eigen zeggen – de grootste vredesorganisatie van Nederland uit te leggen, waarom ik er moeite mee had me aan te melden als donateur en liever gewoon lid zou willen worden. Ook al werd me de keus gelaten tussen de status van tientjesdonateur en de interne Club van Vrede voor donateurs van minimaal 1000 euro per jaar, die af en toe worden uitgenodigd voor een bijeenkomst met spreker en lunch of zoiets. 

Het lukte niet echt. The Times They Are A-Changin’, meneer. Maar op die manier kwam ik er wel achter dat het beproefde Amerikaans model van de oliebaron die na gedane zaken een organisatie voor goede doelen op touw zet, ook in Nederland om zich heen had gegrepen. Een hiërarchische opzet, geen leden, CEO bovenaan, raad van toezicht, accent op de uitvoering c.q. productie, weinig of geen inspraak. 

Daarnaast kwamen aan de lopende band oude bekenden uit de boeken van het Centraal Bureau Fondsenwerving voorbij in de reclameblokken van publieke omroepen en commerciële media, op zoek naar donateurs om het vege lijf te redden te midden van talloze nieuwkomers. In het begin van deze eeuw was het naar mijn idee al een gekkenhuis op de markt van duizenden door de Belastingdienst erkende ANBI’s (algemeen nut beogende instellingen), nu leek het hek helemáál van de dam. 

Het was altijd al dubieus, zoals ik eerder aangaf, of Nederland bereid was tot echte ontwikkelingssamenwerking in de zin van jezelf pijn doen om voor eens en altijd korte metten te maken met die ongelijkheid, die armoede, die niet ophoudende pijn van anderen. Nu zie ik nog slechts een volkomen in zichzelf gekeerde samenleving, die niet eens in staat is tot dat soort samenwerking. 

Mocht iemand zich in dit verband afvragen wat er ooit is terechtgekomen van Nederland als belastingparadijs, zou ik om te beginnen willen wijzen op het bestaan van de webstek Doneer Effectief. Waar je haarfijn krijgt uitgelegd hoe je voor jezelf van de ongelijkheid in de wereld een solide verdienmodel kunt maken. Met richtlijnen in de trant van: een leven redden in het buitenland is een stuk goedkoper dan in Nederland. 

Inderdaad, de zo vermaarde Hollandse rekenmeesters zijn altijd met hun tijd meegegaan!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.

Strikt noodzakelijke cookies

Strikt noodzakelijke cookie moet te allen tijde worden ingeschakeld, zodat we je voorkeuren voor cookie-instellingen kunnen opslaan.