De rotzorg

Als in Nederland één bevolkingsgroep het zwaar te verduren heeft èn het moet stellen zonder effectieve pleitbezorger in de Haagse slangenkuil, zijn het wel de vluchtelingen en asielzoekers in het bijzonder. Natuurlijk zitten in dit land meer groepen in de hoek waar de klappen vallen, mensen die niet in staat zijn van zich af te bijten. Maar meestal worden die vroeg of laat uit de brand geholpen. 

Vluchtelingen daarentegen zijn bij uitstek vreemdelingen, horen er niet bij en weten heg noch steg, niemand zit op hen te wachten, kortom ze zijn ons een rotzorg, in alle opzichten. Anders kan ik niet verklaren dat telkens weer het zelfde alarm wordt geslagen, Ter Apel uit zijn voegen barst, het Rode Kruis moet uitrukken om tenten te bouwen, kabinetten en bewindslieden over de kop slaan, om de hete brij wordt heen gedraaid en in talloze versies de oerboodschap weerklinkt: “Boer, pas op je kippen!”

Vluchtelingen als de kop van Jut, pispaal waar je je straffeloos op kunt afreageren en tegelijk de onderliggende partij waar je weinig van te duchten hebt: ram er maar op los, schop ze desnoods het land uit!

Het verschijnsel is ouder dan de weg naar Rome en onlosmakelijk verbonden met de gewoonte van mensen zich collectief een stuk aarde toe te eigenen en dat vervolgens af te schermen van een feitelijk agressieve of als vijandig gedoodverfde buitenwereld. Nationale staten zijn daar het meest uitgesproken voorbeeld van, de perfecte dekmantel voor mensen om de beest uit te hangen. Wat dat betreft is ook voor vluchtelingen in Nederland stevige steun vanuit de samenleving bittere noodzaak. En moet die, zoals het voorbije kabinet-Schoof goed liet zien, telkens opnieuw worden uitgevonden. 

In 1979, vijftien jaar vóór het ontstaan van het langzamerhand berucht Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als bijwagen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), werd VluchtelingenWerk Nederland (VWN) opgericht. Een landelijk platform voor actiegroepen die zich het lot aantrokken van wie om materiële en/of politieke redenen hun land waren ontvlucht. Dus midden in de Koude Oorlog, toen zowel in de nationale politiek als op internationaal vlak heel andere scheidslijnen en hete hangijzers golden dan in deze tijd. 

Inmiddels heeft het vluchtelingenprobleem wereldwijd epische proporties aangenomen, wat voor het rijke Nederland aanleiding was om weg te kijken van de oorzaken en zich te concentreren op alle mogelijke maatregelen om in eerste instantie de komst van vluchtelingen te beperken en in tweede instantie het kaf van het koren te scheiden (en alsnog te bestempelen als grof vuil). De bureaucratisering waarmee dat gepaard ging besmette ook de privaatrechtelijke sfeer, waar activisme van oudsher een voedingsbodem vindt. 

Het gevolg is dat er nu, in elkaar overlopend, twee gigantische ‘ondernemingen’ bestaan, in financieel opzicht en via alle mogelijke wet- en regelgeving aan elkaar geklonken: het COA en het VWN. Beide met duizenden medewerkers, voor het merendeel vrijwilligers die door gesalarieerden worden ‘aangestuurd’, met een zelfde doelgroep van topografisch uitgestrooide en van hot naar haar zwervende ‘cliënten’, die door allerlei hoepels moeten springen en als bange wezels wachten op een sprankje hoop of perspectief. 

Met alleen al ruim 1400 betaalde krachten is het VWN uitgegroeid tot een uitvoeringsorganisatie, naast het strikt ambtelijk COA en verwante organisaties zoals Nidos, verantwoordelijk voor de voogdij, opvang en begeleiding van vluchtelingen zonder ouders. Hoe dat te rijmen is met beleidsbeïnvloeding en bevordering van het draagvlak, die het VWN bij mijn weten nog altijd tot zijn ‘kerntaken’ rekent, is me een raadsel. Hoe kun je je in godsnaam laten regeren door de uitvoerende staatsmacht en tegelijk luis in de pels zijn van die macht?

Het heeft naar mijn indruk al jaren ten aanzien van migratie ontbroken aan zo’n luis. De bureaucraten waren veel te druk bezig met zichzelf en elkaar om in de Staten-Generaal effectief aan de weg te timmeren of in de landelijke media iets zinnigs te laten horen, de socials hadden geen idee en de doelgroep had best wel wat in te brengen, maar haar werd nooit iets gevraagd. Dus viel er een gat, toen Mark Rutte het veld had geruimd, en had de PVV het rijk alleen. 

Vooralsnog heeft het experiment met de partijloze premier en zijn stoet van instantbewindslieden weinig bijval gevonden, maar of we ervan geleerd hebben… Als de minister voor asiel en migratie in het nieuwe ‘minderheidskabinet’ – let wel: een CDA’er – zich geroepen voelt uit te kramen dat hij ‘volle bak bezig’ is ‘met het verlagen van de instroom’, vrees ik het ergste. 

Het is in Den Haag nu eenmaal bon ton geworden al wat riekt naar vluchtelingen aan de grote klok te hangen als verplicht nummer, waar ‘we’ niet onderuit kunnen vanwege internationale verdragen en andere vage afspraken. Zelfs in zogenaamd linkse kringen waar gelijkheid en broederschap van oudsher de harten sneller doen kloppen, bestaat op dit terrein een hardnekkig gebrek aan visie en daadkracht. 

Geen wonder dat een ooit bruisende club als het VWN zich heeft laten degraderen tot papieren tijger en geen enkele lobbyist klaarstaat om de knuppel te gooien in enig bureaucratisch hoenderhok. En welke politieke partij neemt nog de moeite om er een creatieve, goed doordachte draai aan te geven, zodat migratie eindelijk vrijkomt van het knellend kader van justitie en veiligheid en bijvoorbeeld wordt ingebed in arbeidsmarkt- of cultuurpolitiek?

Als dat allemaal te veel gevraagd is, laat dan tenminste voornoemde minister (Bart van den Brink, ja) één dag in de maand uittrekken om in het mythische Den Haag als gastheer op te treden voor een royale doorsnee – ongeacht hun status op dat moment – van al die mensen die tegen de stroom in bereid zijn uitgerekend hier, in zijn land, een nieuw bestaan op te bouwen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *