De dag begon met ademhalingsoefeningen die ik eerder die week van mijn shiatsu-leraar had geleerd. Blijf in je bed liggen, op je rug, en laat je handen rusten op je middenrif, tussen navel en schaambeen. Adem langzaam in, door je neus, en voel je borstkas omhoog gaan. Houd die lucht een paar tellen vast en laat hem dan naar buiten stromen, tussen je lippen door. Haast je niet en herhaal het zo vaak je maar wilt, want ons lichaam is een en al energie en energie moet stromen.
Ik mocht blij zijn dat ik goed had geslapen, want mijn vorige dag stond in het teken van de ontdekking dat ik geen enkele radiator in huis aan de praat kon krijgen en dat mijn woningcorporatie daar geen oren naar had. Integendeel, na uren lang geharrewar met een onnavolgbare telefooncentrale ontving ik per mail de boodschap dat een anonieme ‘medewerker’ een reparatieverzoek had aangevraagd zonder dat daarvoor een afspraak was ingepland, maar dat ik binnen twee werkdagen zou worden gebeld (door joost mocht weten wie).
Er zat niets anders op dan die ochtend weer opnieuw te beginnen, want het was vrijdag en de winterse kou nog lang niet uit de lucht. Weer werd ik van het kastje naar de muur gestuurd, tot ik zo maar ineens – vraag me niet hoe – een man mét een naam te pakken kreeg, die zich niet van den domme hield en zelfs bereid bleek me dingen uit te leggen.
Met name dat de corporatie dit soort zaken overliet aan een externe aannemer, dus dat ik beter dáár mijn licht kon opsteken. Maar toen ik suggereerde dat hij me op weg kon helpen, wierp hij tegen dat ‘ze’ daar zo moeilijk bereikbaar waren. Weer terug bij af, kwam ik tot een ultieme poging om hem voor me te winnen: “Wat zou u doen, in mijn geval?”
Er gewoon heen gaan, zei hij prompt. Elk bedrijf is toch érgens gevestigd, in een of ander gebouw, met een deur waar je binnen kunt gaan. En dan komt er vast wel iemand die je te woord staat. Maar dat heb je niet van mij, hoor!
Ik wist wat me te doen stond. Toen hij zich in een onbewaakt ogenblik de naam van de aannemer had laten ontvallen, ging mij een licht op. Een bedrijf uit Dordrecht of zo, dat door Essent was overgenomen? Dat moest ik terug kunnen vinden.
Een uur later, nog vroeg in de middag, was ik onderweg naar een straat in de Waarderpolder, hét industrieterrein van de stad. Een grauw onopvallend kantoorgebouw met maar één verdieping. De lichten binnen en de personenwagens voor de deur spraken duidelijke taal: hier werd gewerkt. Inderdaad, ik kon gewoon binnenlopen en terwijl ik nog om me heen keek, kwam er een man tevoorschijn die informeerde naar de reden van mijn komst. En nog mooier: hij riep binnen een minuut, in het wilde weg, zoiets als werk aan de winkel.
Boven aan de trap werd ik opgewacht door een vrouw type allesregelaar, die van wanten wist. Waar ik woonde en of ik die middag thuis zou zijn. Mijn enthousiasme kende geen grenzen meer: “Dan moet mijn dochter maar even wachten, ik fiets direct terug naar huis. Geef me een half uurtje.”
Het was al zes uur en dus donker geworden. Langzaam maar zeker drong de mogelijkheid tot me door dat ik te vroeg had gejuicht. Al had ik bijtijds de lampen aangestoken, zodat het verwachte bezoek zich niet zou kunnen vergissen.
Maar mijn herboren vertrouwen in de mensheid liet zich niet zo maar verjagen. Dus toen alsnog werd aangebeld, kon ik mezelf een hand geven.
Een boom van een vent, van weinig woorden. Ik was zijn voorlaatste klant. Nee, ik kon hem zelfs met water geen plezier doen. Al had – gezien zijn lichaamstaal – mijn mankement wel wat voeten in de aarde. Hij wist wat hem te doen stond en hij deed het gewoon. Het zal niet langer dan een kwartier hebben geduurd en hij was alweer vertrokken, toen ik me nog vergaapte aan de nieuwe thermostaat.
Een avond om nooit te vergeten. Goddank geen extra kleren meer nodig en lekker in een zetel – mijn eigen boerenkool op schoot – kijken naar de opening van de Winterspelen… Van meet af aan had ik daar iets mee, want de naam van een van de betrokken locaties – Cortina d’Ampezzo – voerde me zeventig jaar terug in de tijd. Ik zat in de laatste klas van de lagere school, toen de daarnaar genoemde Spelen in mijn geheugen gegrift werden. Des te meer genoot ik van de manier waarop Italië deze keer vorm, kleur en klank had gegeven aan de Olympische gedachte.
Maar halverwege de vlaggenparade had ik het wel gezien en schoot me iets heel anders te binnen. Zo’n boek waar je per toeval, zonder duidelijke reden,
aan begonnen bent en waar je niet zo gauw echt de smaak van te pakken krijgt. In dit geval was dat De vreemdelinge van ene Sergej Dovlatov, een novelle uit 1986 die ik in een recente vertaling (2022) uit de bieb had meegenomen. Ik was met gemengde gevoelens (te veel noten?) halverwege gekomen, maar het lag nog binnen handbereik.
Omstreeks middernacht was ik helemaal verkocht. Wat een verhaal, wat een taal, wat een personages, hartverscheurend maar ook supergeestig. De auteur emigreerde in 1978 naar New York en bracht daar naar het schijnt een boek per jaar uit, tot zijn overlijden in 1990.
Geef een reactie