Mij vloeit weliswaar Neêrlands bloed door d’aderen, maar de vlag en andere krijgshaftige attributen van het Koninkrijk der Nederlanden kunnen me gestolen worden. Het Nederlands daarentegen – dat staat buiten kijf – is me zo lief dat ik er nauwelijks woorden voor kan vinden.
Behalve, misschien, dat het als steun en toeverlaat alles en iedereen overtreft.
Geen wonder dat De Taalstaat het enige radioprogramma is waar ik voor thuisblijf. In die staat wil ik wonen, al is het slechts op zaterdag in een zoef van twee uur lang. In 2014, vóór ik de wijk nam naar de West, maakte ik de lancering mee met Frits Spits als presentator. Acht jaar later, na mijn terugkeer, ontdekte ik dat het programma nog altijd bestond. En – goddank – zichzelf gebleven was.
Even hield ik mijn hart vast, toen Spits het afgelopen jaar besloot de pijp aan Maarten (lees: Ronald Giphart) te geven. Maar al gauw bleek me de afgelopen maanden dat die uit hetzelfde hout gesneden was. Ook hem gaat geen zee te hoog om de schat van het Nederlands in de breedste zin van het woord te ontginnen en te koesteren. In dat opzicht blijft het programma dan ook baanbrekend.
Zo trof me de afgelopen week de warmte en waardering, waarmee Wannes Cappelle ten tonele werd gevoerd. Een Nederlandstalige muzikant uit België die zingt in het West-Vlaams – voor menige Belg zoiets is als het Fries voor de gemiddelde Hollander – en nu aan het toeren is dwars door Nederland. Dat is de actuele staat van het Nederlands ten voeten uit: van de Dollard in het uiterste noordoosten tot De Panne in het uiterste zuidwesten.
Ik prijs me nog altijd gelukkig dat ik in de jaren zestig, toen ik een jaar in Leuven studeerde, het fenomeen taalgrens leerde kennen en getuige mocht zijn van wat die aan spanning en strijd met zich meebracht. Daar hadden ‘wij’, in het buurland voorbij Wuustwezel, geen benul van, laat staan dat we ons erom bekommerden. Niet dat ik van de weeromstuit zelf daadwerkelijk in actie kwam, maar ik keerde wel terug naar het noorden in de overtuiging dat hun strijd ook de mijne was. Met langdurende, soms ook verstrekkende, gevolgen.
Ik abonneerde me op Ons Erfdeel, als leidende exponent van de culturele, op het Nederlands gebaseerde, verwantschap tussen Vlaanderen (inclusief Brussel) en Nederland, ondernam de nodige minikruistochten om zowel Franstaligen in België als Hollanders diets te maken dat zij het pejoratief flamand dan wel Vlaams als taalaanduiding beter konden inruilen voor Nederlands, vond mijn eerste schoonfamilie in de agglomeratie van Antwerpen en mocht mij ook, als correspondent in Afrika, scharen onder de medewerkers van De Standaard en de BRT-radio.
Wanneer ik dan anno 2026 zo iemand als Wannes Cappelle hoor praten en zingen op de Nederlandse radio, daagt het me hoezeer het Nederlandstalig deel van België en Nederland inmiddels naar elkaar zijn toegegroeid. Waarschijnlijk moest in het zuiden eerst de taalstrijd uitmonden in een drastische staatshervorming, al was het maar omdat die de numerieke meerderheid van Vlamingen in alle opzichten meer armslag verschafte.
Inmiddels heeft die meerderheid een overwicht gekregen. Niet voor niets werd juist Bart De Wever, burgemeester van Antwerpen, in februari van het afgelopen jaar de premier van federaal België. Het Vlaamse gewest, bestaande uit vijf provincies, geeft in financieel-economisch opzicht de toon aan en uiteraard wordt de rest van de samenleving daarin meegezogen. En als over de grens, in het grootste buurland, dezelfde omgangstaal wordt gehanteerd, is het niet verwonderlijk dat bij uitstek daar contacten worden gelegd, samenwerking ontstaat, kortom zaken worden gedaan.
Ik heb er geen studie van gemaakt, maar kan me niet aan de indruk onttrekken dat sinds de eeuwwisseling in allerlei sectoren – media, kunsten en academische wereld voorop – het aandeel van intellect en creativiteit vanuit België c.q. dat Vlaams gewest sterker is gegroeid dan in de voorafgaande decennia.
Dat een aantal producenten van film en televisieprogramma’s stug volhoudt de zogenaamde Vlaamse tongval te ondertitelen, zegt meer over hun eigen bekrompenheid en verdienmodel dan over het publiek vermogen allerlei varianten van en nieuwe inzichten over onze lingua franca tot zich te nemen en naar waarde te schatten.
De gloriedagen van het ABN als de maat der dingen zijn voorbij, de Belgenmop van weleer is een stille dood gestorven, ook de dialecten binnen de landsgrenzen hebben de wind in de zeilen, kortom de lage landen vinden zich voor de zoveelste keer in de geschiedenis opnieuw uit.
Wat in dat perspectief De Taalstaat uitstraalt is dat er een state-of-the- artpaleis klaarstaat, waar iedereen iets van zijn gading vinden kan en geen deur gesloten is, zodat we gezamenlijk in deze krankzinnige wereld ons partijtje kunnen meeblazen.
Geef een reactie