Eindelijk weer eens wakker geworden zonder inwendige stoorzender of extern lawaai, maar gewoon omdat zowel het lichaam als de geest klaar was met wat ze daar ’s nachts allemaal uitspoken. Heerlijk! Alleen al de gewaarwording dat alles – nou ja, wat ik voor geen prijs zou willen missen – er nog aan, op en in zit. Op het moment dat de gordijntjes het daglicht niet meer kunnen tegenhouden en de zee schreeuwt om aandacht.
In slow motion doe ik mijn eerste oefeningen liggend op het dekbed, haal water om de interne huishouding aan de praat te krijgen en installeer me voor een patrijspoort, waar ik over de gestapelde containers heen de aangelijnde minimast op de voorplecht parmantig zie uitsteken boven de scheidslijn tussen hemel en aarde. Geen haast voor het ontbijt!
De woelige baren in het lied van Eddie Christiani, over een verliefde blonde Noor die met zijn schip ‘stootte op een klip’, zijn ver te zoeken. De Atlantische Oceaan is een kille, donker glanzende, massa water die zich in volstrekte eenzaamheid onpeilbaar ver voor zich uitstrekt en naadloos overgaat in de nog eindelozere ruimte daarboven, waar slechts satellieten ons waarnemen. Als een pluisje met onbekende bestemming.
Sinds de meeste mensen erkennen dat de aarde rond is, kunnen we ons beter voorstellen wat ‘eindeloos’ betekent en is ook eeuwig een begrip geworden dat we best aan kunnen en niet per se aan God of goden hoeven over te laten. Met andere woorden: voor zover wij mensen, een van de relatief late vormen van leven op deze planeet, het hele al kunnen overzien, lopen het een en het ander in elkaar over en komt nergens een eind aan.
Dus waarom zouden we dan nog moeten tobben over onze dood en de talloze oorzaken die daar mogelijkerwijs toe leiden? We krijgen het leven cadeau zonder dat wij daar zelf moeite voor doen. We hoeven het niet eens te willen. Vervolgens maken we er iets moois van en tenslotte, als we eenmaal oud zijn en der dagen zat, vervalt het aan die zelfde eeuwigheid waaruit het is voorgekomen. Daar is geen kruid tegen gewassen.
Of houd ik me voor de gek? Het is allemaal leuk en aardig op zo’n schip, met de nodig fantasie en geduld. Je hoeft geen poot uit te steken, draagt geen enkele verantwoordelijkheid, kunt je ongestoord en straffeloos in zo’n kraaiennest opsluiten of je door het gat in de voorplecht naar beneden laten glijden, frank en vrij.
Maar hoe veeg ik straks daadwerkelijk weer elke morgen, dag in dag uit, alle brokstukken van mezelf bij elkaar om me te verhouden tot en plaats voor mezelf te maken in een hallucinerende samenleving?
In deze fase van je leven zit niemand meer op je te wachten en doe je slechts terzake als doelwit van particuliere zorgaanbieders met doorontwikkelde verdienmodellen en als speelbal van gouden kalfaanbidders in het algemeen. Maar wee degene die het lef heeft zich te beroepen op het zelfbeschikkingsrecht wanneer je nog niet volledig bent uitgeteld of uitgespeeld.
Als je je bijvoorbeeld voorneemt, in het volle bewustzijn dat het mooi is geweest, je leven feestelijk af te sluiten in goed gezelschap. Dan blokkeren de heersende machten je vrijwillige terugkeer in de eeuwigheid op grond van het argument dat geen sprake is ‘onverdraaglijk lijden’ en worden zelfs je medestanders geloven aan een gerechtelijke schandpaal genageld.
Het wordt tijd dat ik de Chief Engineer eens aan de tand voel inzake het brandstofverbruik van de Alexander B. Erg loslippig is hij tot nu toe niet geweest, maar wie weet heeft hij ongemerkt toch wat meer vertrouwen in me gekregen.
De koopvaardij en de scheepvaart in het algemeen – denk aan het exponentieel gegroeid aantal klonen van de Titanic – ligt al jaren onder vuur als economische grootmacht, die zich om het eens netjes uit te drukken weinig gelegen laat liggen aan de kwaliteit van het mariene milieu.
En ik ben toch niet voor niets partenhouder geweest van de Tres hombres, een Nederlandse pionier in het streven de zeilende vrachtvaart nieuw leven in te blazen.
Hij is al bijna klaar met eten, wanneer ik me in de mess laat zien. Geen wonder dat het hem niet zo goed uitkomt. Maar vanavond, zegt hij, heb ik meer kans. Ben benieuwd, want op weg naar de gang komt hij bij mijn tafeltje staan om te zeggen dat ik me nIet ongerust hoef te maken.
Nog voor ik zelf opstap, komt ook Ricardo naar me toe. Of ik de kapitein al gesproken heb. Nieuws over de reis, begrijp ik, maar het fijne kan hij me niet vertellen. Dus ik haast me naar de dichtstbij zijnde buitendeur, om – mijn neus in de wind – zo gauw mogelijk op het kompasdek te komen. Daar moet zich een officier ophouden die goed op de hoogte is. Er staat een deur staat op het haakje, ik tik op het glas en ga naar binnen.
“Daar is ie eindelijk,” roept de kapitein bij himself me toe, alsof hij al een tijdje op me heeft zitten wachten. En in één adem door: “U gaat niet mee naar Hamburg. We moeten eerst nog meren in Rotterdam en dan gaat u daar van boord.”
Zo onverwacht dat ik met een mond vol tanden sta. Te meer omdat ik slechts kan raden, of hij mij daarmee een plezier denkt te doen of me kan missen als kiespijn. Een paar meter verderop zit de eerste stuur aan een bureau, maar diens naam is haas.
Had gerekend op een reistijd van vier weken, maar daar zijn we al overheen en ervaring heeft me geleerd dat ik me uit voorzorg het beste kan instellen op nog méér vertraging. Wat niet wegneemt dat het bezopen zou zijn, als ik een meevaller niet zou toejuichen. Dus is mijn eerste vraag, of hij al kan zeggen wanneer we in Rotterdam aankomen.
“Over een dag of vier,” schat hij. Met de kanttekening dat we nu aansturen op de Franse kust. In het nieuwe reisschema is namelijk ook Le Havre opgenomen en pas als we daar klaar zijn, komt de etappe naar Rotterdam.
Ik weet genoeg en laat de mannen met rust, om het nieuws twee trappen lager op mijn eigen dek te gaan herkauwen. Zodra ik de slaapkamer terugzie, krijg ik de neiging me in mijn kooi uit te strekken. Maar tegelijkertijd zie ik dat pal achter ons de dag druk bezig afscheid te nemen en weet ik iets beters. Op de overloop achter mijn slaapkamer, desnoods een dek lager…
En ja hoor, ik ben ruimschoots op tijd en mijn loge staat klaar. Na een laatste saluut ga ik langaam zitten, tot ik mijn benen kan laten hangen over de dekrand en de zon een arm om me heen slaat.
Geef een reactie